Het resultaat van de Pilot Belevingsthermometer is een vragenlijst die geschikt is om te peilen hoe veilig omwonenden van chemische industrie en transport van gevaarlijke stoffen zich voelen. Ook geeft de pilot inzicht in de factoren die samenhangen met de veiligheidsbeleving, zoals het vertrouwen in hulpdiensten om de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken.

Conclusies vragenlijst

Behalve het peilen van de veiligheidsbeleving, laat de vragenlijst ook de verschillen tussen mensen zien op basis van leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en de afstand tussen woning en chemische industrie. De vragenlijst is geschikt om in heel Nederland te gebruiken en periodiek aan deelnemers voor te leggen. Door de vragenlijst regelmatig te herhalen wordt het mogelijk om ontwikkelingen in veiligheidsbeleving waar te nemen. Naar aanleiding van de pilot worden enkele concrete suggesties gedaan om de vragenlijst te verbeteren. Bijvoorbeeld door bepaalde vragen aan te passen of te schrappen en door de volgorde van de vragen te veranderen.

De vragenlijst is opgenomen in het rapport. Hierin is ook meer informatie opgenomen over de keuze en ontwikkeling van de vragenlijst, als instrument om de beleving van veiligheid te peilen.

Conclusies werkwijze

In de pilot is de vragenlijst getest in twee steden met een verschillende hoeveelheid aan chemische industrie in de omgeving. Zaandam is gekozen als voorbeeld van een stad met veel chemische industrie in de omgeving. Deventer als voorbeeld van een stad met enkele chemiebedrijven in de stad. In totaal zijn in beide steden 4000 huishoudens via een brief benaderd om mee te doen aan de pilot. In totaal hebben 1093 deelnemers de vragenlijst ingevuld: 606 mensen uit Deventer en 487 uit Zaandam.

Bij deze aanpak was de respons voldoende om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de geschiktheid van de vragenlijst en om de resultaten per stad met elkaar te kunnen vergelijken. De deelnemers aan de vragenlijst vormden echter geen weerspiegeling van de inwoners van de twee steden  wat betreft leeftijd en de verhouding tussen mannen en vrouwen. In beide steden zijn in de steekproef vooral de jongeren (mannen en vrouwen tussen de 18 en 29 jaar) en mannen tot 40 jaar ondervertegenwoordigd. De resultaten in deze pilot gelden daarom niet voor alle inwoners van de onderzochte steden of voor inwoners van andere steden in Nederland. Een representatievere steekproef zou kunnen worden behaald door mensen via andere kanalen, zoals sociale media, te benaderen om de vragenlijst in te vullen.

Samenhang factoren

De vragenlijst bevatte behalve de vragen over veiligheidsbeleving vragen over vijf andere onderwerpen. In de literatuur wordt een verband gelegd tussen deze onderwerpen (factoren genoemd) en veiligheidsbeleving. Het gaat om de volgende factoren:

  • beleving van de woonomgeving in z'n geheel;
  • vertrouwen in het vermogen van overheden en bedrijven om ongevallen met gevaarlijke stoffen te voorkómen;
  • vertrouwen in hulpdiensten om de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken;
  • eigen invloed om de gevolgen te beperken van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen;
  • het nut om zelf beschermende maatregelen te treffen.

Uit de pilot blijkt dat de factor die het meest samenhangt met de veiligheidsbeleving, de mate is waarin mensen hun woonomgeving in zijn geheel positief beleven. Hoe positiever mensen hun woonomgeving ervaren, hoe positiever de veiligheidsbeleving, en andersom. Daarnaast hangt de mate waarin mensen erop vertrouwen dat overheden en bedrijven een ongeval kunnen voorkómen, sterk samen met veiligheidsbeleving. Hoe groter dit vertrouwen is, hoe positiever de veiligheidsbeleving en andersom. Hetzelfde geldt voor het vertrouwen in het vermogen van de hulpdiensten om de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken.

Verder voelen mensen zich veiliger als ze erop vertrouwen dat zij zelf de gevolgen van een ongeval kunnen beperken. Factoren als leeftijd, geslacht en opleidingsniveau lijken geen invloed te hebben op de veiligheidsbeleving.

In de pilot is onderzocht welke factoren uit literatuur samenhangen met veiligheidsbeleving. Er is geen onderzoek gedaan naar oorzaak-gevolg relaties tussen deze factoren en veiligheidsbeleving. Het is dus niet zeker dat de veiligheidsbeleving verbetert wanneer bijvoorbeeld de beleving van de woonomgeving in z'n geheel verbetert.

Resultaten vergelijking steden

Het doel van de Pilot Belevingsthermometer was een geschikt instrument te ontwikkelen om de beleving van veiligheid bij omwonenden van chemische industrie te peilen. Om de geschiktheid van de vragenlijst te testen, is de vragenlijst in deze pilot uitgezet onder omwonenden van twee steden: een stad met enkele chemiebedrijven (Deventer) en een stad nabij veel chemische industrie (Zaandam). De Pilot Belevingsthermometer heeft daarmee ook inzicht gegeven in het gevoel van veiligheid van mensen in woonomgevingen met een verschillende hoeveelheid chemische industrie. De resultaten zijn niet van toepassing op alle inwoners van de deelnemende steden. Dit komt omdat de deelnemers aan de pilot geen weerspiegeling vormden van de inwoners van Zaandam en Deventer wat betreft leeftijd en de verhouding tussen mannen en vrouwen.  

Veiligheidsbeleving en beleving van de woonomgeving in z'n geheel

Uit de pilot blijkt dat inwoners van de stad met enkele chemiebedrijven (Deventer) hun woonomgeving positiever beleven dan inwoners in de stad nabij veel chemische industrie (Zaandam). Ook de veiligheid in relatie tot activiteiten met gevaarlijke stoffen beleven mensen in de stad met enkele chemiebedrijven (Deventer) positiever dan mensen in de stad nabij veel chemische industrie (Zaandam). Uit een open vraag blijkt dat in beide steden sociale veiligheid als het belangrijkste thema wordt gezien als het gaat om de veiligheid in de eigen woonomgeving. De aanwezigheid van gevaarlijke stoffen wordt door een kleine groep inwoners genoemd.

Vertrouwen en zelfredzaamheid

Tussen de steden is geen verschil waar te nemen in het vertrouwen dat mensen hebben in het vermogen van overheden en bedrijven om een ongeval met gevaarlijke stoffen te voorkómen. Ook is er geen verschil tussen beide steden in het vertrouwen in de hulpdiensten om de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken. Wel hebben deelnemende bewoners van beide steden meer vertrouwen in hulpdiensten om de gevolgen van dit soort ongevallen te beperken, dan in het vermogen van overheden en bedrijven om een ongeval te voorkómen.  

Hoewel de veiligheidsbeleving tussen de steden verschilt, is niet te zeggen of deze verschillen te verklaren zijn door de hoeveelheid chemische industrie in de woonomgeving. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft namelijk niet onderzocht welke andere mogelijke factoren hierop van invloed zijn.