In het stappenplan ontbreekt een methode om het gifwolkaandachtsgebied te bepalen als gevolg van onverbrande toxische stoffen ADR 6.1 VG I en II. Hoe gaan we daar mee om?  

 Op 25 februari is het stappenplan aangepast (zie https://omgevingsveiligheid.rivm.nl/stappenplan-bepalen-gifwolkaandacht…). Bij stap 4 van het onderdeel dat gaat over verpakte gevaarlijke stoffen staat nu dat de analist:
1.    gemotiveerd een LBW30 waarde moet gebruiken die past bij de opgeslagen stoffen, of
2.    moet motiveren waarom het vrijkomen van deze onverbrande stoffen niet relevant is voor het aandachtsgebied.

In een eerdere versie van het stappenplan werden de aandachtsgebieden bepaald aan de hand van de ‘corresponding events' in het SMEZ-rapport. waarom nu niet meer?  

In het SMEZ-rapport wordt alleen de corresponding event gegeven die de 1% letaliteitsafstand bepaalt. Deze code behoort hierdoor niet persé bij de grootste afstand tot 10 kW/m2, 35 kW/m2 of 0,1 bar en is daardoor misleidend.

Geen vraag maar opmerking. In het stappenplan AG staat dat fakkelbranden ontstaan bij het vrijkomen van een ontvlambare tot vloeistof verdicht gas onder druk of bij het vrijkomen van ontvlambare gassen. In Safeti-NL worden echter ook fakkels berekend bij atmosferische opslagtanks en in de HRB staat een fakkel tussen haakjes weergegeven in de gebeurtenissenboom. 

Klopt.

Het gifwolkaandachtsgebied als gevolg van een PGS 15 inrichting moet bepaald worden met behulp van de LBW30 binnenshuis van NO2 indien er N aanwezig is. In het geval van een relatief laag percentage N leidt dat tot een te grote overschatting van het effect. Graag een heroverweging van het stappenplan.  

Op 25 februari is het stappenplan aangepast (zie https://omgevingsveiligheid.rivm.nl/stappenplan-bepalen-gifwolkaandacht…). Bij stap 3 van het onderdeel dat gaat over verpakte gevaarlijke stoffen krijgt de analist de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken als stikstofdioxide niet bepalend is voor het aandachtsgebied.

In het stappenplan Brandaandachtsgebied (BAG) staat dat alleen plasbranden en fakkelbranden die 20 seconde of langer duren meegenomen moet worden in het bepalen van het BAG. Op welke wijze kan dat worden vastgesteld in Safeti-NL?    

De meeste plasbranden en fakkels zullen langer dan 20 seconde duren. Het is een goede eerste benadering om aan te nemen dat de plasbranden en fakkelbranden langer duren dan 20 s. In bijzondere gevallen is het mogelijk dat de tijdsduur korter is dan 20 s. De analist kent deze scenario's en kan de duur van deze scenario’s controleren. Dit kan bijvoorbeeld via het SMEZ-rapport voor fakkels ('release duration') of door een inschatting via de 'reports' en 'graphs' voor plasbranden.

Welke set van scenario’s wordt meegenomen?

Alle QRA-scenario’s worden meegenomen. Dit betekent dat de afkapgrens voor een scenario voor het bepalen van het aandachtsgebied gelijk is aan de afkapgrens voor een scenario voor het bepalen van het plaatsgebonden risico.

In een eerder versie van het stappenplan stond dat scenario's met een faalfrequentie < 10-8 wegvallen. In het huidige stappenplan staat dat niet meer vermeld. Klopt dat?    

Klopt, zie het vorige antwoord.

In het SMEZ-rapport worden alleen de maximale afstanden getoond per effect. Differentiatie binnen de aandachtsgebieden is hierdoor niet altijd goed mogelijk op basis van alleen het SMEZ-rapport. Zien we hierdoor geen relevante informatie over het hoofd?

Het stappenplan geeft de stappen voor het bepalen van het aandachtsgebied. Met het stappenplan wordt de grootste afstand tot een effect bepaald.
Het SMEZ-rapport geeft echter meer informatie, zoals de afstanden tot de warmtestralingsniveaus voor verschillende scenario’s. Het is dus goed mogelijk binnen een aandachtsgebied differentiatie aan te brengen op basis van het SMEZ-rapport.
Wanneer aanvullende specifieke informatie gewenst is, die nu nog niet beschikbaar is in het SMEZ-rapport, horen we dat graag om deze uitvoer mogelijk te maken

Het gifwolkaandachtsgebied dient te worden bepaald aan de hand van de LBW30 binnenshuis. In sommige gevallen kan de blootstelling kleiner zijn dan 10 minuten waarvoor de LBW10 gebruikt zou kunnen worden. Waarom wordt dit niet beschreven in het stappenplan?

Om voor het gifwolkaandachtsgebied standaardisatie te bereiken hanteren we één waarde, namelijk de LBW30 binnenshuis. De verwachte werkelijke blootstellingstijd kan wel worden meegenomen bij de motivatie voor het wel of niet treffen van beschermende maatregelen in en buiten het aandachtsgebied.

Is er voor de bepaling van de LBW30 waarden binnenshuis rekening gehouden met het feit dat de concentratie binnenshuis langzaam opbouwt en daarna weer langzaam afneemt, en zo ja hoe?

De LBW30 waarden zijn interventiewaarden, die algemeen beschikbaar zijn. In de bepaling van LBW30 waarden zijn alleen toxische gegevens van belang.
Bij het passeren van een gifwolk zal de concentratie binnenshuis eerst toenemen, en daarna weer afnemen. Voor het bepalen van het gifwolkaandachtsgebied wordt de hoogste concentratie binnenshuis vergeleken met de LBW30 waarde. De gemiddelde concentratie zal binnenshuis dus lager zijn, maar de blootstellingsduur binnenshuis kan weer langer zijn dan een half uur.

Hoe om te gaan met de Subselectie methodiek voor Seveso-inrichtingen?

In de berekeningsregels (Safeti-NL 8) voor Seveso-inrichtingen is een optioneel toe te passen subselectiemethodiek opgenomen. Op dit moment zijn er signalen dat de bestaande subselectiemethodiek soms zodanig kan zijn toegepast dat stoffen zijn weggelaten die wel relevant zijn voor het aandachtsgebied. Dit betekent dat alertheid nodig is als voor het bepalen van aandachtsgebieden gebruik wordt gemaakt van (oude) rekenbestanden waarbij de subselectiemethodiek is toegepast. In 2019 wordt een geactualiseerd stappenplan voor het bepalen van de PR-contour van Seveso-inrichtingen gepubliceerd in het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Handboek. Als onderdeel van die actualisatie wordt de subselectiemethodiek heroverwogen.

Waarom geven open vergunningen grote aandachtsgebieden?

De gemaakte politieke en beleidskeuzes achter het Bkl en de Omgevingswet hebben als gevolg dat voor het bepalen van het aandachtsgebied wordt uitgegaan van de stoffen die op basis van de vergunning(aanvraag) werkelijk aanwezig mogen zijn. Bij een open vergunning heeft het bevoegd gezag toegestaan dat alle typen gevaarlijke stoffen aanwezig mogen zijn. Dit betekent dat bij het bepalen van aandachtsgebieden voor activiteiten met een ‘open vergunning’ uitgegaan moet worden van de meest conservatieve benadering.

Indien een open vergunning niet meer wenselijk is omdat de aandachtsgebieden te groot worden, kan het bevoegd gezag in overleg met het bedrijf de vergunning aanpassen. Hierbij zal duidelijk moeten worden welke stoffen wel op locatie aanwezig zijn zodat inzichtelijk is op welke stof het aandachtsgebied gebaseerd moet worden.

Komen er in het Handboek regels voor de bestuurlijke weging van maatregelen?

De door bestuurders aan te houden systematiek volgt uit de algemene wet bestuursrecht en qua inhoud uit de omgevingswet en daarbij behorende besluiten. De verantwoordelijkheid voor het proces van de bestuurlijke afweging en de gemaakte keuze ligt bij het bevoegd gezag. Het Handboek Omgevingsveiligheid van RIVM bevat stappenplannen om bevoegde gezagen zoals provincies en gemeenten te helpen bij de bestuurlijke afweging. Ook wil RIVM graag met voorbeelden en handvatten meer inzicht bieden in de mogelijke maatregelen, zodat experts, bestuurders (en ook burgers) daar hun voordeel mee kunnen doen (zoals maatregelencatalogus).