Dit stappenplan maakt deel uit van het Handboek omgevingsveiligheid en beschrijft hoe bepaald kan worden waar de begrenzing ligt van het brandaandachtsgebied veroorzaakt door  een risicovolle activiteit. Het stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, zoals in de Omgevingsregeling per 1 januari 2021 is aangewezen, omvat de volgende onderdelen:
1 - Bepalen brandaandachtsgebieden met het rekenpakket SAFETI-NL;
2 - Bepalen brandaandachtsgebieden met het rekenpakket CAROLA;
3 - Bepalen brandaandachtsgebieden met het rekenpakket RBMII.

In het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid is per activiteit zoals genoemd in Bijlage VII van het Bkl vastgelegd welke voorschriften en welk rekenpakket moeten worden toegepast. 

Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk).  Aandachtsgebieden maken het inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

De aandachtsgebieden maken deze gevaren zichtbaar. Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen.

Op grond van het Bkl (artikel 5.15, lid 1) moet binnen een aandachtsgebied rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar, als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit met gevaarlijke stoffen.

Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico’s en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen.

Begrenzing aandachtsgebied (art. 5.12 Bkl)
De begrenzing van de aandachtsgebieden is daar waar mensen binnenshuis in een standaard gebouw beschermd zijn tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. De begrenzing van de aandachtsgebieden is vastgesteld in het Bkl:

  • Een brandaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is (Bkl artikel 5.12, lid 1).
  • Een explosieaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot:
    a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en
    b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. (Bkl artikel 5.12, lid 2).
  • Een gifwolkaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. (Bkl artikel 5.12, lid 3).
    Een gifwolkaandachtsgebied wordt begrensd door een afstand van 1,5 km als de afstand, bedoeld in het derde lid Bkl, groter is (Bkl artikel 5.12, lid 4).

Beleidsmatige afkap gifwolkaandachtsgebied
Voor bepaalde soorten en hoeveelheden giftige stoffen kan het berekende gifwolkaandachtsgebied enkele kilometers groot zijn. Bij de beoordeling of voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moeten worden verbonden, is het bepaalde of berekende aandachtsgebied leidend. Bij het besluit over een ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving van de milieubelastende activiteit, is het gebied waar rekening moet worden gehouden met het groepsrisico beleidsmatige afgekapt op 1,5 km (Bkl artikel 5.12, vierde lid).

De beleidsmatige afkapgrens van 1,5 km geldt dus alleen voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van een milieubelastende activiteit én heeft geen invloed op de omvang van het berekende gifwolkaandachtsgebied. De afkapgrens geldt niet voor het verlenen van de vergunning voor de milieubelastende activiteit zelf of voor het brand- of explosieaandachtsgebied. Ook geldt de afkap niet bij de het rekening houden met de veiligheidsrisico’s van een ramp, ramp of crisis (Bkl, artikel 5.2).

Onderscheid binnen aandachtsgebieden
Binnen een aandachtsgebied zijn verschillende zones  te onderscheiden die bepalend kunnen zijn voor de mate waarin het bevoegd gezag van oordeel is dat het bieden van bescherming zinvol, haalbaar en betaalbaar is. In algemene zin kan worden gesteld dat de kans dat een plek getroffen wordt afneemt wanneer de afstand tot de risicobron toeneemt. Ook zal de impact van de calamiteit afnemen als de  afstand tot de risicobron toeneemt. Verder is voor bescherming tegen brand en gifwolk de blootstellingduur relevant. Bij aandachtsgebieden die zijn gebaseerd op risicoberekeningen is deze informatie direct af te leiden uit de berekening en daarmee beschikbaar om te worden meegewogen bij de besluitvorming van het bevoegd gezag over het voorschriftengebied, groepsrisico en gelijkwaardige beschermende maatregelen. Bij aandachtsgebieden die beleidsmatig zijn bepaald (basisnet) of afgekapt (gifwolk) kan het bevoegde gezag er voor kiezen om door middel van een aanvullende risicoberekening de verschillende zones binnen (en buiten) het aandachtsgebied te onderscheiden.

Bepalen en bekend maken aandachtsgebieden

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het bepalen en bekend maken van aandachtsgebieden. Een aandachtsgebied geldt zodra een risicovolle activiteit (overeenkomstig een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of overeenkomstig het omgevingsplan of na een tijdig gedane melding) in werking is. Een aandachtsgebied hoeft dus niet eerst in het omgevingsplan te worden aangewezen om te gelden.

Aandachtsgebieden en het digitaal stelsel omgevingswet (DSO)

Aandachtsgebieden moeten zichtbaar zijn voor elke burger en initiatiefnemer. Uiteindelijk zullen de aandachtsgebieden digitaal worden ontsloten via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het bevoegd gezag zorgt daarvoor. Door de aandachtsgebieden op de kaart te zetten, is direct voor iedereen helder waar extra bescherming nodig kan zijn tegen brand, explosie of gifwolk.

De grens van een brandaandachtsgebied ligt bij een berekende warmtestraling als gevolg van een brand met gevaarlijke stoffen die gelijk is aan of groter is dan 10 kW/m2 (Bkl artikel 5.12, lid 1). De beleidsmatige keuze voor de grens van het brandaandachtsgebied is gebaseerd op de pragmatische aanname van de veiligheidsregio’s dat bij het (langdurig) blootstellen van een standaard, modern gebouw aan een warmtestraling van minder dan 10 kW/m2 geen brand ontstaat aan of in het gebouw.

Afhankelijk van het type activiteit zijn er in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden specifiek te berekenen.

Bepalen brandaandachtsgebieden met SAFETI-NL

Voor de berekening van afstanden voor het brandaandachtsgebied met het rekenpakket SAFETI-NL worden de volgende stappen gevolgd:

1. Ga uit van de scenario’s van de kwantitatieve risicoanalyse zoals opgenomen in het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid. Deze scenario’s zijn representatief voor alle mogelijke scenario’s die kunnen optreden en kunnen leiden tot levensbedreigende gevolgen in de omgeving van de activiteit.
N.B.: Bij SEVESO-activiteiten kan een subselectie zijn toegepast om het aantal scenario’s in de kwantitatieve risicoanalyse te beperken. De subselectie moet zo zijn uitgevoerd dat geen scenario’s wegvallen die relevant zijn voor het bepalen van aandachtsgebieden. Indien gebruik wordt gemaakt van een bestaande kwantitatieve risicoanalyse is het raadzaam om de in het verleden uitgevoerde subselectie te controleren om zeker te zijn dat alle voor aandachtsgebieden relevante insluitsystemen en stoffen zijn meegenomen in de kwantitatieve risicoanalyse.

2. Zoek vervolgens in SAFETI-NL naar de scenario’s met effecten van warmtestraling buiten de terreingrens. Gebruik hiervoor de ‘Summary Maximum Effect Zones reports’ (SMEZ-rapport). Deze is te vinden in het tabblad Home onder Risk. Vink de optie ‘Merge results for duplicate weathers using maximum distance’ uit. Met deze optie staat er meer informatie in het SMEZ-rapport over de weerklasse: in plaats van alleen de weerklasse, bijvoorbeeld D5, wordt dan ook het weerstation en dag/nacht gegeven. Het SMEZ-rapport is zichtbaar als rapport in SAFETI-NL en te exporteren naar een Excel-bestand.

3. Voor de blootstelling aan warmtestraling geldt een drempelcriterium van minimaal 10 kW/m2 (Bkl artikel 5.12, lid 1). Voor kortdurende plasbranden en fakkelbranden zijn er geen levensbedreigende situaties te verwachten voor mensen binnenshuis. Daarom wordt voor plasbranden en fakkelbranden uitgegaan van een minimale brandduur van 20 seconden: alleen plasbranden en fakkelbranden die 20 seconden of langer duren worden meegenomen in het bepalen van het brandaandachtsgebied. Voor de vuurbal een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE) wordt het aandachtsgebied apart gedefinieerd.

4. Bepaal per insluitsysteem binnen welk gebied een warmtestraling van 10 kW/m2 of meer kan optreden ten gevolge van een fakkel of plasbrand. Selecteer hiervoor per insluitsysteem (locatie) de grootste effectafstand in de kolom Largest distance to 10 kW/m2 [m]. Laat hierbij de vuurbal scenario’s weg, dat wil zeggen de instantane scenario’s (met een waarde in de kolom Discharge Mass [kg]) van een drukvat (equipment item type: pressure vessel) en de stand-alone vuurbal scenario’s (scenario’s met code SAIBO).
N.B. Voor de instantane vrijzetting van een gas tot vloeistof verdicht gas zal de vuurbal bepalend zijn voor de warmtestraling; deze wordt meegenomen bij het explosie-aandachtsgebied. Een eventuele plasbrand van uitgeregende vloeistof wordt naar verwachting voldoende afgedekt door de continue emissies.

5. Bepaal daarna het aandachtsgebied voor alle insluitsystemen gezamenlijk. In het bijzonder moet voor leidingen het effect langs de hele leiding worden gelegd. Alle afstanden samen vormen het brandaandachtsgebied. Het brandaandachtsgebied hoeft daarmee dus niet cirkelvormig te zijn, het kan ook bestaan uit meerdere cirkels die niet perse aaneensluitend hoeven te zijn.
Let op: SAFETI-NL rekent alle mogelijke scenario’s door, ook als deze door de vervolgkansen niet worden meegenomen. Het verdient daarom aanbeveling een check te doen op de geselecteerde scenario’s die het aandachtsgebied bepalen. Ook dient een check te worden uitgevoerd of de brandduur minimaal 20 seconden is.

Binnen een aandachtsgebied zijn verschillende zones te onderscheiden die bepalend kunnen zijn voor de mate waarin het bevoegd gezag van oordeel is dat het bieden van bescherming zinvol, haalbaar en betaalbaar is. Het is daarom van belang dat de informatie die gebruikt is voor het bepalen van de aandachtsgebieden (scenario’s, plasbrand of fakkelbrand) beschikbaar blijft voor het bepalen van de zones en de mogelijke beschermende maatregelen. Bij het rapporteren van het brandaandachtsgebied dient duidelijk gemaakt te worden of het gaat om een plasbrand of een fakkelbrand. Dit onderscheid kan gemaakt worden met behulp van de gegevens uit het SMEZ-bestand, waarbij als vuistregel geldt dat plasbranden ontstaan bij het vrijkomen van een ontvlambare vloeistof uit insluitsystemen met een atmosferische druk,  en fakkelbranden  ontstaan bij het vrijkomen van een ontvlambare tot vloeistof verdicht gas  uit een insluitsysteem onder druk of bij het vrijkomen van ontvlambare gassen. Als er sprake is van een fakkelbrand door een vloeistof onder druk, dient er rekening mee gehouden te worden dat er ook een plasbrand kan ontstaan.

Voorbeeld contouren (meer dan 10 kW/m2) per insluitsysteem en het resulterende aandachtsgebied

Voorbeeld effectgebieden (meer dan 10 kW/m2) per insluitsysteem en het resulterende aandachtsgebied
Voorbeelden SMEZ-bestanden
Voorbeeld SMEZ-bestand (Safeti-NL report)
Plaatje met voorbeeld van een SMEZ-bestand (Safeti-NL report)
Voorbeeld SMEZ-bestand (Excel-bestand)
Voorbeeld van de opmaak van een SMEZ-bestand in Excel

Bepalen brandaandachtsgebieden met CAROLA

Voor de bepaling van het brandaandachtsgebied met CAROLA is een eenvoudige tabel te gebruiken. Deze tabel is gebaseerd op de effecttabellen in de CAROLA-software voor de initiële fakkel. De tabel geeft de afstand waar de warmtestraling 10 kW/m2 en 35 kW/m2 is, afhankelijk van de druk en diameter van de hogedruk aardgastransportleiding. Deze afstanden zijn te meten vanuit het hart van de leiding.

Bij het rapporteren van het brandaandachtsgebied bepaald met CAROLA dient altijd vermeld te worden dat het gaat om een fakkelbrand.

CAROLA afstanden warmtestraling

Bepalen brandaandachtsgebieden met RBMII

Voor de bepaling van de afstand voor het brandaandachtsgebied bij transport (basisnet) is een berekening niet nodig. Het ministerie van IenW heeft deze afstand beleidsmatig vastgesteld op 30 meter (Bkl, Bijlage VII onder C).

Binnen een aandachtsgebied zijn verschillende zones te onderscheiden die bepalend kunnen zijn voor de mate waarin het bevoegd gezag van oordeel is dat het bieden van bescherming zinvol, haalbaar en betaalbaar is. Het is daarom van belang dat de informatie die gebruikt is voor het bepalen van de aandachtsgebieden (scenario’s, plasbrand of fakkelbrand) beschikbaar blijft voor het bepalen van de zones en de mogelijke beschermende maatregelen. Bij het rapporteren van het brandaandachtsgebied dient duidelijk gemaakt te worden of het gaat om een plasbrand of een fakkelbrand. Bij RBMII heb je of een plasbrand met een vaste plasgrootte, of een fakkel. Als vuistregel geldt dat plasbranden ontstaan bij het vrijkomen van een ontvlambare vloeistof uit insluitsystemen met een atmosferische druk,  en fakkelbranden ontstaan bij het vrijkomen van een ontvlambare tot vloeistof verdicht gas uit een insluitsysteem onder druk of bij het vrijkomen van ontvlambare gassen. Als er sprake is van een fakkelbrand door een vloeistof onder druk, dient er rekening mee gehouden te worden dat er ook een plasbrand kan ontstaan.